De Hoge Raad heeft vandaag uitspraak gedaan over het verzoek van Stichting Polishouders Conservatrix om als belanghebbende deel te nemen aan de lopende cassatieprocedure tussen Conservatrix Group S.A.R.L. en De Nederlandsche Bank (DNB). De Hoge Raad heeft dit verzoek afgewezen. Hiermee is nog geen inhoudelijk oordeel gegeven over de hoofdzaak, namelijk dat de beschikking van 15 mei 2017 waarbij de aandelen van Conservatrix werden verpatst aan een criminele Amerikaan berust op bedrog door DNB.
Achtergrond
De procedure draait om de gebeurtenissen rond de overdracht van Conservatrix in 2017. Op verzoek van DNB keurde de rechtbank Amsterdam destijds een overdrachtsplan goed waarbij alle aandelen van Conservatrix Groep in Conservatrix voor 1 euro overgingen op Trier Holding B.V. In 2020 werd Conservatrix failliet verklaard.
Conservatrix Groep heeft vervolgens verzocht de beschikking uit 2017 te herroepen. De rechtbank Amsterdam besliste op 5 februari 2026 dat Conservatrix Groep niet-ontvankelijk was in dat verzoek. Daarbij kwam de rechtbank wel tot de conclusie dat de beschikking van 15 mei 2017 berust op bedrog door DNB in het geding gepleegd, maar dat de aard van die beschikking zich tegen herroeping verzet.
DNB heeft tegen deze beschikking cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
Waarom wilde de Stichting toelating tot de procedure?
De Stichting wilde in deze cassatieprocedure worden toegelaten om de belangen van de ruim 10.000 aangesloten polishouders rechtstreeks te verdedigen.
De rechtbank oordeelde eerder dat DNB in 2017 processueel bedrog heeft gepleegd bij de gedwongen overdracht van Conservatrix. DNB is in cassatie gegaan om dat oordeel van tafel te krijgen. Voor de schadeclaim die de Stichting op DNB wil verhalen, is het cruciaal dat dit vonnis over het bedrog in stand blijft.
Door toelating als zelfstandige partij kan de Stichting een verweerschrift indienen bij de Hoge Raad en het standpunt van de gedupeerde polishouders direct toelichten.
Stichting mag niet als belanghebbende deelnemen en moet betalen
De Hoge Raad wijst het verzoek van de Stichting af. Daarbij is bepalend dat:
- in cassatie bij verzoekprocedures in beginsel alleen partijen deelnemen die ook in een eerdere instantie zijn verschenen;
- daarop onder omstandigheden een uitzondering mogelijk is voor een belanghebbende die buiten zijn schuld niet eerder is verschenen;
- de Stichting pas op 13 maart 2020 is opgericht (dat was het moment waarop wij ons zorgen gingen maken over onze polis);
- zij daardoor geen belanghebbende kon zijn in de oorspronkelijke procedure die leidde tot de beschikking van 15 mei 2017 (toen was er nog geen reden om ons zorgen te maken over onze polis);
- zij om die reden volgens de Hoge Raad evenmin als belanghebbende kan worden aangemerkt in de herroepingsprocedure.
De Hoge Raad heeft de Stichting daarnaast veroordeeld in de kosten van het incident: € 800 aan de zijde van DNB en € 800 aan de zijde van Conservatrix Groep.
Inhoudelijke procedure gaat verder
Belangrijk is dat de uitspraak van vandaag een beslissing betreft over de toelating van de Stichting tot de cassatieprocedure. De Hoge Raad heeft in deze beschikking nog geen inhoudelijk oordeel gegeven over het cassatieberoep van DNB tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026.
De Hoge Raad heeft de hoofdzaak verwezen naar 23 oktober 2026 voor dagbepaling schriftelijke toelichting. Daarmee loopt de procedure door.
Wat betekent deze uitspraak?
Voor polishouders is vooral van belang om onderscheid te maken tussen het incident dat vandaag is beslist en de inhoudelijke hoofdzaak.
De afwijzing betekent dat Stichting Polishouders Conservatrix niet als belanghebbende wordt toegelaten tot deze cassatieprocedure. De Hoge Raad spreekt zich met deze beslissing niet uit over het inhoudelijke cassatiegeschil tussen DNB en Conservatrix Groep.
De in februari 2026 door de rechtbank gegeven beslissing vormt nog steeds het onderwerp van het cassatieberoep van DNB. Daarbij staat onder meer de zeer relevante overweging van de rechtbank centraal dat de beschikking uit 2017 berustte op bedrog door DNB in het geding, terwijl de rechtbank tegelijkertijd oordeelde dat de aard van de beschikking zich tegen herroeping verzette.
De inhoudelijke cassatieprocedure is dus nog niet beslist.